Ik groeide op met een oudere broer. Die liep vanaf het moment dat hij kon lopen achter mijn vader aan, die in de regel iets aan het maken was. Timmeren, zagen, schroeven, boren. Fysieke arbeid. En mijn broer kon na enige tijd de schroevendraaier aangeven, vragen of het een kruiskop of een platte moest zijn en ik zat op mijn driewieler te doen alsof het een raceauto was. Kort gezegd: mijn afstandelijke relatie met echt werk wijt ik volledig aan mijn opvoeding. Dat maakt het dragelijk.
Nu ben ik door al die vrijheid en blijheid ook iemand geworden die alle tijd heeft om een praatje te maken en dan wel eens iets beweert of belooft. Hoe het gebeurd is, weet ik niet meer, maar feit is dat ik de kantinejuffrouw eens beloofde haar te helpen als het druk was. Kantinejuffrouwen nemen dat soort opmerkingen serieus en laten dan twee rode overhemden met Beijk Catering erop geborduurd komen, waarna je aan de bak kunt.

Een uur lang sneed ik samen met Wieger Jan (net zo’n grote mond als ik) brietjes, komkommers en pistoletjes. En na dat uur voelde ik me voldaan. Want klanten hadden vriendelijk gegroet, geduldig gewacht en waren blij met hun vers belegde broodjes. Arbeit macht froh.