
15-02-07
Overmorgen wordt ik officieel peettante (natuurlijk van een geweldig lieve, mooie baby).
Voor de gelegenheid ging mijn moeder naar de stad om nieuwe kleding te kopen.
Ik ging met haar mee.
Bij de bushalte zat een oude meneer op het bankje in de zon.
Aan het andere uiteinde van het bankje, nam ik plaats naast hem.
Ik wist dat hij niet zat te wachten. Niet op de bus. Hij hoefde nergens heen.
Vaak zie ik hem wandelen, of zitten op een van de vele bankjes die ons dorp telt en als ik hem dan zie is hij altijd alleen.
“De bus is te laat” zegt mijn moeder.
Op datzelfde moment komt hij de hoek om geracet (letterlijk).
We stappen in en zorgen dat we zitten vòòr de chauffeur het pedaal weer vol intrapt.
“Sjonge jonge jonge” zuchtten mijn moeder en ik tegen elkaar terwijl we in onze stoel gedrukt worden.
Dan, als we een paar straten verder zijn, stopt de chauffeur zonder dat we bij een halte zijn en zet hij de motor uit.
Mijn mede passagiers schuifelen ongeduldig heen en weer op hun stoel om zo een glimp op te vangen van wat zich voor de bus afspeelt.
In de weerspiegeling van het raam naast me zie ik een lange zwarte auto stapvoets aan komen rijden.
Achter en om de auto heen loopt een groep mensen.
De weg is hier breed genoeg , de rouwstoet kan met gemak de bus passeren. En toch zet de chauffeur de bus even stil.
Voor drie minuten lijkt de wereld geheel onthaast en ik stel me voor hoe er een leven lang door kinderen en kleinkinderen van degene in de auto gehouden is.
In het raam zie ik hun verdriet, met een brok in mijn keel.
Ik vraag mezelf af of dit komt door het zien van dit verdriet, of door het gebaar van de buschauffeur en de gelegenheid die hij broers, zussen, kinderen, kleinkinderen en vrienden geeft om ongestoord te kunnen rouwen.
Zo staan we daar nog een minuut of twee te wachten, tot ze allen achter ons verdwijnen.
Dan, vol gas, vervolgen we onze weg.
Ik denk aan de meneer op een van de vele bankjes, nu nog in de zon.
En ik hoop vurig dat er op een dag een buschauffeur is die voor hem hetzelfde doet, ook al zijn er dan misschien geen broers, zussen, kinderen of kleinkinderen die om hem rouwen.
In de stad vindt mijn moeder een prachtige blouse voor het doopsel.
En ik ben zó benieuwd naar wat voor een man mijn peetkind later wordt.