In de herfstschemer fietste ik de Bilderdijkstraat door tot ik achter een klein kindje praktisch tot stilstand kwam. Op een fietsje met versiersels slingerde ze in haar eentje door de drukte van de spits. Misschien omdat het er aardig uitzag – ik bleef in elk geval een tijdje achter haar fietsen. Denk maar niet: “oh wat lief”, want mijn moederinstinct is verder minimaal ontwikkeld. Ja, ik vroeg me af wat het jonge mens daar deed, tot ik zag dat er een end voor haar een moeder fietste, die het nare tempo met haar bakfiets bepaalde. Niet alleen had ze het druk met het manoeuvreren van die bak, ook was ze luid aan het bellen. Doordat ik alleen haar rug kon zien zou het personage van de moeder zich met gemak tot een monsterlijke figuur ontvouwen.
Het gesprek ging over van alles, druk druk, de afspraak die ze éindelijk gingen maken, “in elk geval snel een cappu doen”. Je zou zeggen: klaar met bellen. De moeder remde plots behendig, maar werd gestoord door een andere weggebruiker: het meisje knalde op de designbakfiets. Misschien had de moeder het kind hier even in de wacht willen zetten om de rest van haar kroost van de crèche te halen. Misschien was een ander kind op de vorige hoek al ongemerkt uit de bak geslingerd. Door de ongeregeldheid werden de twee herenigd dus ik besloot, drie straten te laat, naar links te gaan. (De moeder had trouwens ook niet het gezicht van de Bulstronk, maar een gewoon Moeder-gezicht)
Al mijn degelijke oordelen terzijde: stiekem werd ik er ook heel blij van. Dat ik uit een heel stom dorp kom, met hele achterlijke moeders met lelijke jassen. Die alleen maar koffie of koffie met melk en suiker bestellen. Het moge duidelijk zijn dat míjn moeder nooit zou hebben gebeld als we moesten fietsen. Dan waren we gewoon aan het fietsen.