Als ik aan de donkerbruine piano denk die bij ons in de huiskamer staat zie ik meestal een jongetje van een jaar of elf voor me dat volledig tegen zijn zin in simplistische melodietjes uit de hardhouten klankkast probeert te krijgen. Hij heeft inmiddels een jaar of vijf pianoles gehad maar is eigenlijk nooit écht gemotiveerd geweest om tot grotere hoogten te klimmen. Dat jongetje zit elke week een half uur bij de eigenaar van de lokale muziekwinkel muziek te maken. Dankzij alle ontberingen maakt hij op verjaardagen van onder andere zijn opa volledig de blits met de simplistische melodietjes (of gewoon met het feit dat hij een schattig jongetje achter een piano is, wie zal het zeggen). Uiteindelijk wegen de voordelen niet meer op tegen de nadelen en besluit hij aan het begin van zijn middelbare school na goed overleg met zijn moeder te stoppen met het volgen van pianolessen. “Wat jammer” klinkt het vanuit alle kanten.
Dat jongetje dat ben ik. Of dat was ik. Want nu ben ik vijf jaar verder en gedurende dat lustrum is er een scala van artiesten over mij heen gekomen die er voor heeft gezorgd dat mijn muzieksmaak tot in de puntjes verfijnd is en dat er toch wel een substantiële liefde voor pianomuziek is ontstaan. De voornaamste daders zijn Keith Jarrett, Neil Cowley, Ethan Iverson en niet te vergeten Esbjörn Svensson.
En zo kwam het dat een tijdje geleden het idee om de draad weer op te pakken in me op. Maar piano spelen vergt oefening en oefening vergt tijd. En het einde van het VWO nadert dus toch nog maar even niet. Tot ik op een zekere dag mister Ben Folds uit Amerika ontdekte. Even voor de mensen die hem niet kennen, deze musicus maakt knallende pianopop, gaat in zijn onderbroek op een albumcover en verwerkt kreten als “rock this bitch” in zijn teksten. Mozart anno 2008 laten we maar zeggen. Na een paar nummertjes van Rockin’ The Suburbs geluisterd te hebben dacht ik bij mezelf: “hoe haalt deze man zo’n geluid uit een piano?” Dit was denk ik zo’n half jaar geleden.
Toen bracht afgelopen zomer het Zweedse Esbjörn Svensson Trio een nieuwe plaat uit, Leucocyte (witte bloedcel). Dit nieuwe album van de veelbelovende jazz band was op een bijna enge wijze anders dan al het voorgaande wat ze hadden gedaan. De muziek hangt een beetje tussen jazz en post-moderne rock in, maar weet wel degelijk een jazz karakter te behouden.
Dit alles zorgde er voor dat mijn interesse voor de piano alleen maar toenam. De climax kwam toen ik op een zaterdag avond in GarageBand een beetje op het schermtoetsenbord zat te jammen. Dit klonk uiteraard nergens naar maar zorgde er wel voor dat ik weer zin kreeg om in de huiskamer, achter de donkerbruine piano plaats te nemen en daar het een en ander op te spelen.
Die zondag nog informeerde ik bij mijn moeder wat ze er van zou vinden als ik weer zou beginnen, en op maandag stapte ik bij de lokale muziekwinkel binnen om te vragen of er nog steeds pianoles gegeven werd. Mijn oude muziekleraar stelde me de vraag of ik al eerder les had gehad. Dus ik zeg ja en vervolgens dat ik Julius ben (zo veel ben ik toch niet verandert?) Met een grote glimlach op zijn gezicht schudt m’n (ex)leraar me de hand en zegt dat hij me totaal niet herkent had. We prikken een tijdstip en sinds een paar weken kan ik weer zeggen dat ik “op pianoles” zit (of zoals de gemiddelde Schaijkenaar het formuleert: “onder piano”).
Thuis schijn ik meer dan ooit te spelen. Laatst wist m’n moeder te vertellen dat ik per dag net zo veel speel als ik vroeger in een week deed. Ik kan er niks aan doen, het is gewoon gaaf om Scarborough Fair te spelen.